Uitspraak
200101662/1, waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen, is de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Woningwet bij uitstek gericht op onmiddellijke stillegging van de met die wet strijdige bouwwerkzaamheden, waarbij gelet op de aard en het beoogde doel van die bevoegdheid niet behoeft te worden nagegaan of de bouw gelegaliseerd kan worden. Daaruit volgt dat de stellingen van F.S. Vastgoed dat, indien de werkzaamheden zouden zijn verricht nadat het bouwwerk gereed was, het college zich, gelet op het Bblb, niet tegen het bouwwerk zou kunnen verzetten, alsmede hetgeen omtrent het nieuwe bestemmingsplan door F.S. Vastgoed naar voren is gebracht, in deze procedure niet van belang zijn.