Uitspraak
200502656/1en van 19 september 2007 in zaak nr.
200606819/1niet vergelijkbaar met het voorliggend geval. In het geval dat in deze twee uitspraken aan de orde was, is vastgesteld dat bij het desbetreffende sportterrein sprake was van een situatie waar kinderen langere tijd binnen de magneetveldzone verbleven en was onvoldoende onderzocht wat de verblijfsduur was en of gelet daarop geen sprake was van een geval waarbij het eerder vermelde statistische verband ook van betekenis kon zijn. In dit geval is wel voldoende onderzoek gedaan naar de verblijfsduur van kinderen in en om het scoutinggebouw en vastgesteld dat op grond daarvan niet gesproken kan worden van een gevoelige bestemming als bedoeld in de brief van 3 oktober 2005.
200701337/1is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer zo'n belemmering evident is, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om die vraag te beantwoorden en een appellant de mogelijkheid heeft dat antwoord te verkrijgen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant] gestelde omstandigheid dat hij ten gevolge van het bouwplan hinder als bedoeld in artikel 37 van Pro Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek ondervindt in de vorm van verkeers- en geluidsoverlast, niet een zodanige evidente privaatrechtelijke belemmering betreft. Het college kon daarbij in aanmerking nemen dat slechts sprake is van beperkt haal- en brengverkeer waarbij slechts voor korte duur wordt geparkeerd en dat de verkeers- en geluidsoverlast beperkt zal zijn, nu het scoutinggebouw op het perceel slechts op vrijdagavond en zaterdag gebruikt gaat worden.