ECLI:NL:RVS:2009:BH0764
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatigheid voortduring vrijheidsontnemende maatregel na vreemdelingenbewaring
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de toepassing van twee maatregelen: vreemdelingenbewaring en een aansluitende vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank had het beroep tegen beide maatregelen ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat, hoewel een vreemdeling na toegangsweigering op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring kan worden gesteld, het niet verenigbaar is met het stelsel van de wet dat aansluitend een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 6 wordt Pro opgelegd.
De Raad stelt dat met de inbewaringstelling op grond van artikel 59 is Pro erkend dat er geen grond meer bestaat voor voortzetting van de toegangsweigering. Daarom is maatregel 2 (de vrijheidsontnemende maatregel) van meet af aan onrechtmatig. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze maatregel betreft, en het beroep tegen maatregel 2 alsnog gegrond verklaard.
De vrijheidsontnemende maatregel was reeds opgeheven, zodat een bevel daartoe achterwege blijft. De Staat wordt veroordeeld tot een vergoeding van € 3.280,- aan de vreemdeling en tot vergoeding van proceskosten van € 966,- voor rechtsbijstand. De uitspraak bevestigt het belang van een correcte toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 en de bescherming van rechten van vreemdelingen.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel na vreemdelingenbewaring is onrechtmatig verklaard en de Staat veroordeeld tot vergoeding.