ECLI:NL:RVS:2003:AF6640
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontneming vreemdeling ondanks toegang weigering
Appellant werd in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 nadat hem de toegang tot Nederland was geweigerd wegens het ontbreken van een geldig reisdocument of visum. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde de bewaring.
Appellant voerde aan dat hem slechts een lichtere vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 kon worden opgelegd, omdat hij de toegang was geweigerd. De Raad van State oordeelde echter dat het systeem en de bewoordingen van de wet geen grond bieden voor dit standpunt en dat artikel 59 ook Pro op hem van toepassing is.
Verder stelde appellant dat de onrechtmatige strafrechtelijke vrijheidsontneming zwaarder moest wegen dan het belang van de minister bij bewaring. De Raad van State stelde vast dat de onrechtmatigheid niet zodanig ernstig was dat dit doorslaggevend was en dat het belang van de openbare orde en nationale veiligheid zwaarwegend is.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bewaring van appellant op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000.