ECLI:NL:RVS:2009:BH0769
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortvarendheid bij indienen claim voor vreemdelingenbewaring en uitzetting naar België
De vreemdeling werd op 20 november 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de bewaring opgeheven vanwege onvoldoende voortvarendheid bij het indienen van de claim bij de Belgische autoriteiten. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de termijn van vijf dagen tussen het verzenden van de claimverzoekdocumenten aan het Bureau Dublin en het indienen van de claim bij de Belgische autoriteiten niet onredelijk lang was. Hierbij werd rekening gehouden met administratieve verwerking en inhoudelijke beoordeling, alsmede het feit dat de vreemdeling recentelijk al naar België was uitgezet.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring is rechtmatig bevonden.