Uitspraak
200400208/1geoordeeld dat in zijn algemeenheid niet kan worden gezegd dat dit beleid onredelijk zou zijn, maar dat het college door het beleid onverkort toe te passen ten onrechte geen aanleiding heeft gevonden te bezien of en in hoeverre De Valouwe door de nieuwe voor De Valouwe ten tijde van haar investeringen niet voorzienbare beleidslijn onevenredig in haar belangen zou worden getroffen. Het college had volgens de Afdeling met name nagelaten na te gaan of de in de beleidsregels voorziene overgangs- en compensatiemaatregelen als passend zijn aan te merken in het specifieke geval van De Valouwe, een parkexploitant die op basis van de oude beleidsuitgangspunten belangrijke investeringen heeft gedaan en gezien de recente vergunningverlening in 2000 ook heeft mogen doen, gericht op voordien toegestane plaatsing van stacaravans tot 75 m², maar die ten tijde van de beleidswijziging nog in een opbouwfase verkeerde. De Afdeling heeft geoordeeld dat het college bij de wijziging van de vergunningvoorschriften de door De Valouwe met betrekking tot haar situatie naar voren gebrachte omstandigheden onvoldoende heeft onderzocht en - dusdoende - niet behoorlijk heeft gemotiveerd waarom de gevolgen van dit besluit niet onevenredig zijn met de door dit besluit te dienen doelen.