Uitspraak
200502940/1. Die uitspraak heeft betrekking op de oplegging van een last onder dwangsom tot het verwijderen van de terreinverharding. Daarin is, ter beoordeling of er ten tijde van het toen bestreden besluit concreet zicht op legalisatie bestond, geoordeeld dat de weigering van het college om vrijstelling voor de terreinverharding te verlenen niet op voorhand onredelijk kan worden geacht. De vraag of de bij het thans bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van het verzoek om vrijstelling de toetsing in rechte kan doorstaan, is eerst in deze procedure ten volle aan de orde. Dit betoog leidt echter, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, niet tot het daarmee beoogde doel.
200502940/1) ziet dit voorschrift niet op vormen van gebruik waarvoor een aanlegvergunning is vereist. Voorts bestaat geen grond voor een oordeel omtrent de vraag of het college voldoende onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties voor de huisvesting van het potgrondbedrijf, nu het college dient te beslissen omtrent het verlenen van vrijstelling aan een project, zoals daarvoor vrijstelling is aangevraagd.
200305490/1), laat deze bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang, onverlet. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan kan worden aangemerkt als een zodanige regulering en bij de vaststelling daarvan komt de betrokken autoriteiten een grote mate van beleidsvrijheid toe. Hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat bij de vaststelling van de in geding zijnde bestemming het in voormeld artikel vervatte recht op ongestoord genot van eigendom niet is betrokken, noch voor het oordeel dat die bestemming niet in overeenstemming is met dit artikel.
200502940/1), is het overgangsrecht hier niet van toepassing, daar het uitsluitend van betekenis is voor die vormen van gebruik die niet onder het aanlegvergunningstelsel vallen. In hetgeen [appellante A] en [appellant B] hebben betoogd, ziet de Afdeling geen grond om hier thans anders over te oordelen.
200502940/1in rechte onaantastbaar geworden. Het besluit van 2 juni 2006 bevat geen heroverweging van voormelde aanschrijving en kan slechts in rechte worden aangevochten voor wat betreft de daarin opgenomen nadere termijnstelling. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellante A] en [appellant B] dat de dwangsom niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging, geen bespreking.