ECLI:NL:RVS:2009:BH3708
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belangenafweging bij verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het bezwaar van een alleenstaande minderjarige vreemdeling tegen de afwijzing van verlenging en wijziging van haar verblijfsvergunning gegrond verklaarde.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat bij de beoordeling van een inmenging in het recht op familie- en gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro, niet het doel van de oorspronkelijke verblijfsvergunning doorslaggevend is, maar het feit dat de vreemdeling voorafgaand aan het besluit over een verblijfsvergunning beschikte waardoor zij feitelijk het gezinsleven kon uitoefenen. Wel kan de aard en het doel van die vergunning meewegen in de belangenafweging.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht een zekere beoordelingsruimte toekomt en dat het beleid gericht is op terugkeer van alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar het land van herkomst. Gelet op de omstandigheden, waaronder het niet samenwonen met de partner en het ontbreken van erkenning van het kind door de partner, is de belangenafweging van de staatssecretaris niet onredelijk.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van 22 oktober 2007 bevestigd.