ECLI:NL:RVS:2009:BI0074
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste gegevens over afkomst en etniciteit
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage, die het besluit van 2 november 2006 tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling vernietigde.
De minister stelde dat de vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt over zijn afkomst en etniciteit, wat werd ondersteund door een taalanalyse. Deze analyse concludeerde dat de vreemdeling niet tot de Nuba-bevolkingsgroep behoort en niet aannemelijk afkomstig is uit Abu Jibeha, mede omdat de vreemdeling wisselende en tegenstrijdige verklaringen gaf.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast geheel bij de minister lag en dat de taalanalyse onvoldoende was om de intrekking te rechtvaardigen. De Raad van State oordeelde echter dat de minister met de taalanalyse voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vreemdeling onjuiste gegevens verstrekte en dat de vreemdeling dit bewijs niet had weerlegd.
Verder faalden de beroepsgronden over procedurefouten en toepassing van artikel 3 en Pro 8 EVRM. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.