ECLI:NL:RVS:2009:BI4038
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling adequaatheid opvang alleenstaande minderjarige vreemdeling bij familielid in Burundi
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit van 13 december 2007 vernietigde waarbij aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd werd verleend. De vreemdeling stelde dat haar moeder in Burundi nauwelijks voor zichzelf kon zorgen en geen vast adres had, waardoor geen adequate opvang aanwezig zou zijn.
De staatssecretaris voerde aan dat volgens het beleid adequate opvang wordt aangenomen indien een familielid tot in de vierde graad aanwezig is, ongeacht de niet nader onderbouwde stellingen van de vreemdeling. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de overlijdensakte van de moeder in haar beoordeling heeft betrokken, omdat deze pas in de beroepsfase werd overgelegd en de authenticiteit niet kon worden vastgesteld.
De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens oordeelt de Afdeling dat het besluit van de staatssecretaris voldoende rekening houdt met de belangen van de vreemdeling in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.