ECLI:NL:RVS:2009:BI5897
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongewenstverklaring vreemdeling met verwijzing naar artikel 1F Vluchtelingenverdrag en EVRM-artikel 3
De zaak betreft het hoger beroep van zowel de vreemdeling als de staatssecretaris tegen uitspraken van de rechtbank over de ongewenstverklaring van de vreemdeling. De vreemdeling werd ongewenst verklaard vanwege ernstige redenen om aan te nemen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven tijdens zijn dienstverband bij de Algerijnse militaire veiligheidsdienst, in strijd met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet in redelijkheid de vreemdeling ongewenst had kunnen verklaren, mede omdat het uitzettingsverbod op grond van artikel 3 EVRM Pro een disproportionele consequentie zou zijn. De Raad van State stelt echter dat het aan het Openbaar Ministerie en de strafrechter is om de strafrechtelijke consequenties te beoordelen en dat de proportionaliteit van de ongewenstverklaring moet worden beoordeeld binnen de vreemdelingenrechtelijke belangenafweging.
De Raad van State bevestigt het belang van Nederland om te voorkomen dat het gastland wordt voor personen die elders ernstige misdrijven plegen. Het belang van de internationale betrekkingen en de openbare orde weegt zwaar, ook als uitzetting op korte termijn niet mogelijk is. De persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wegen onvoldoende op tegen dit belang.
Daarom vernietigt de Raad van State het vonnis van de rechtbank, verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en niet-ontvankelijk. De ongewenstverklaring blijft van kracht, waardoor de vreemdeling geen rechtmatig verblijf kan verkrijgen zolang deze status geldt.
Uitkomst: De ongewenstverklaring van de vreemdeling wordt bevestigd en het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard.