ECLI:NL:RVS:2009:BI6058

Raad van State

Datum uitspraak
3 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200805661/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • O. de Savornin Lohman
  • B.P. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet op de huurtoeslag
Verwijzingen
7 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing huurtoeslag wegens overschrijding rekenhuurgrens zonder hardheidsclausule

De appellant vroeg huurtoeslag aan nadat zijn toetsingsinkomen was gedaald door het zelfstandig gaan wonen van zijn kinderen. De Belastingdienst wees de aanvraag af omdat de rekenhuur van zijn woning hoger was dan de in de Wet op de huurtoeslag gestelde grens. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat geen sprake was van een onbillijkheid van overwegende aard en dat de hardheidsclausule niet toegepast kon worden.

Appellant voerde aan dat de uitzonderingen op de huursubsidiegrens niet limitatief zijn en dat hij vertrouwen mocht ontlenen aan telefoongesprekken en een betaling van het ministerie. De Raad van State oordeelde dat de Wet en het Besluit geen algemene hardheidsclausule kennen en dat de Belastingdienst niet bevoegd was om buiten de wettelijke uitzonderingen af te wijken.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat medewerkers van het ministerie niet bevoegd waren toezeggingen te doen omtrent huurtoeslag. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag huurtoeslag wordt afgewezen omdat de rekenhuur hoger is dan de wettelijke grens en geen hardheidsclausule van toepassing is.

Uitspraak

200805661/1.
Datum uitspraak: 3 juni 2009
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 juni 2008 in zaak nrs. 08/508 en 08/952 in het geding tussen:
appellant
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2006 heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst) de aanvraag van [appellant] om toekenning van huurtoeslag afgewezen.
Bij besluit van 7 maart 2008 heeft de Belastingdienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 juni 2008, verzonden op 13 juni 2008, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 juli 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 19 augustus 2008.
De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. S.J.L.M. van den Reek, advocaat te Helmond, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. A.D. Schreutelkamp, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] heeft in 1983 van de gemeente Helmond, in verband met de op dat moment bestaande woningnood, een woning toegewezen gekregen. De rekenhuur van deze woning was weliswaar hoger dan de huursubsidiegrens die in de destijds geldende Huursubsidiewet was gesteld, maar [appellant] ontving voor die woning niettemin huursubsidie.
Per 1 juli 2002 is de huursubsidie stopgezet omdat het gezamenlijke toetsingsinkomen van [appellant] en zijn inwonende kinderen boven de destijds geldende maximale inkomensgrens kwam. Nadat zijn kinderen per 1 juni 2006 zelfstandig zijn gaan wonen, is het toetsingsinkomen gedaald tot onder de maximale inkomensgrens en heeft [appellant] een aanvraag om huurtoeslag ingediend. De Belastingdienst heeft de aanvraag afgewezen omdat de rekenhuur van de woning hoger is dan de in de Wet op de huurtoeslag gestelde grens.
2.2. De voorzieningenrechter heeft, voor zover thans van belang, overwogen dat de Belastingdienst zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard en in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel heeft de voorzieningenrechter verworpen, aangezien medewerkers van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer niet bevoegd zijn tot het doen van toezeggingen omtrent het toekennen van huurtoeslag en aan een ontvangen spoedbetaling evenmin gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend dat [appellant] recht heeft op huurtoeslag.
2.3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de Belastingdienst in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Hij voert daartoe aan dat de in Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wet) en het Besluit op de huurtoeslag (hierna: het Besluit) genoemde uitzonderingen op de huursubsidiegrens niet limitatief zijn en dat op grond van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 2001 (AB 2001, 377) geen toepassing behoort te worden gegeven aan wettelijke voorschriften indien die toepassing in strijd zou komen met ongeschreven recht. In dat verband stelt hij dat hij vertrouwen mocht ontlenen aan telefoongesprekken met medewerkers van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en aan de betaling die hij op 5 september 2007 heeft ontvangen.
2.3.1. Niet in geschil is dat [appellant] ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wet geen recht op huurtoeslag heeft, nu de rekenhuur van zijn woning hoger is dan de daarin gestelde grens. Evenmin is in geschil dat zijn situatie niet voldoet aan de in het tweede lid omschreven uitzonderingen op het eerste lid, noch aan de in hoofdstuk 2 van het Besluit omschreven uitzonderingen, noch aan het in artikel 55 van Pro de Wet neergelegde overgangsrecht. Anders dan de daarvoor geldende Huursubsidiewet, voorzien de Wet noch het Besluit in een algemene hardheidsclausule.
Gelet hierop bestaat er geen wettelijke grondslag voor de Belastingdienst voor afwijking van de Wet buiten de daarin of in het Besluit omschreven specifieke gevallen. Het stond de voorzieningenrechter dan ook niet vrij te beoordelen of de Belastingdienst zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard en in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toepassen van de hardheidsclausule. Het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel, heeft de voorzieningenrechter terecht en op goede gronden verworpen.
Het vertrouwensbeginsel noch hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd geeft grond voor het oordeel dat de Belastingsdienst in strijd met de Wet aan [appellant] huurtoeslag had moeten toekennen. De conclusie is dat de voorzieningenrechter terecht, zij het deels op onjuiste gronden, heeft geoordeeld dat de Belastingsdienst terecht niet is afgeweken van de Wet. Het betoog faalt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze berust.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. O. de Savornin Lohman en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Rop, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Rop
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2009
417.