ECLI:NL:RVS:2009:BI6538
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en verantwoordelijkheid behandeling asielaanvraag volgens Dublinverordening
De zaak betreft een vreemdeling die door Nederland in bewaring is gesteld nadat hij vanuit België naar Nederland was teruggenomen op grond van de Dublinverordening. De vreemdeling stelde dat Nederland verplicht was zijn in België ingediende asielaanvraag te behandelen, wat volgens hem niet gebeurde, en dat de bewaring daarom onrechtmatig was.
De Raad van State oordeelde dat de Dublinverordening geen verplichting oplegt aan de verantwoordelijke lidstaat om een asielaanvraag die na terugname in een andere lidstaat is ingediend, te behandelen. Bovendien had de vreemdeling na overdracht aan Nederland geen nieuwe asielaanvraag ingediend. De bewaring was daarom terecht op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De vreemdeling voerde verder aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat de bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van voortgangsrapportages. De Raad van State stelde dat hoewel dergelijke stukken behoren tot het dossier, het ontbreken daarvan niet automatisch onrechtmatigheid betekent, zeker niet gezien de ter zitting verstrekte informatie die niet werd betwist.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank dat de bewaring onrechtmatig achtte en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond, bevestigend dat de bewaring rechtmatig is.