ECLI:NL:RVS:2009:BI9037
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Toepassing Dublinverordening gaat voor op posterieure overnameovereenkomst bij vreemdelingenbewaring
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de bewaring van een vreemdeling onrechtmatig achtte. De vreemdeling was op 14 maart 2009 in bewaring gesteld na een controle bij de Belgisch-Nederlandse grens, waarbij bleek dat hij een asielverzoek in België had ingediend. De rechtbank had de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris stelde dat de Dublinverordening (EG) 343/2003 de leidende regeling is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor asielverzoeken en dat toepassing van een oudere overnameovereenkomst tussen Benelux-landen de werking van deze verordening niet mag belemmeren. De Raad van State bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de overdracht van de vreemdeling volgens de Dublinverordening moet plaatsvinden, waarbij België verplicht is de vreemdeling terug te nemen.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens wees zij het verzoek om schadevergoeding af. De staatssecretaris had zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewaring noodzakelijk was gezien het risico dat de vreemdeling zich aan uitzetting zou onttrekken.
De uitspraak benadrukt het bindende karakter van de Dublinverordening en de voorrang daarvan op bilaterale overeenkomsten die de uitvoering ervan zouden kunnen belemmeren. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond; de bewaring blijft gehandhaafd.