ECLI:NL:RVS:2009:BJ1586
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Beoordeling indirect bewijs verblijf buiten Dublingebied in asielprocedure
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de afwijzing van verblijfsvergunningen asiel aan vreemdelingen vernietigde. De vreemdelingen hadden verklaard dat zij meer dan drie maanden buiten het Dublingebied verbleven, namelijk in Tbilisi, Georgië, en ondersteunden dit met een verklaring van een vrouwelijke kennis.
De staatssecretaris stelde dat alleen objectief verifieerbaar bewijs voldeed en dat verklaringen van een vriendin niet als indirect bewijs konden gelden. De rechtbank oordeelde echter dat deze verklaringen concreet genoeg waren om als indirect bewijs te dienen en dat de staatssecretaris dit niet zonder nader onderzoek mocht negeren.
De Raad van State bevestigde dit oordeel en overwoog dat de Uitvoeringsverordening niet vereist dat indirect bewijs uit objectieve bron moet komen. De verklaring van de vriendin voldeed aan de criteria van 'andere indirecte bewijzen van dezelfde aard' en vormde een begin van bewijs.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige beoordeling van indirect bewijs in asielprocedures en beperkt de eis tot objectief verifieerbaar bewijs niet strikt tot officiële bronnen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat verklaringen van een vriendin als indirect bewijs kunnen dienen en dat de staatssecretaris deze niet zonder nader onderzoek mocht verwerpen.