Uitspraak
200800903/1is gedaan - bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, eveneens aansluiting wordt gezocht bij de juridisch-planologische status van die woning. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat door de enkele ingebruikneming van een agrarische bedrijfswoning als burgerwoning, bescherming aan die woning zou toekomen ten opzichte van de veehouderij waartoe deze behoorde, terwijl - gelet op de in overweging 2.4.1 aangehaalde wetsgeschiedenis - met de inwerkingtreding van de Wgv ook de planologische status van belang wordt geacht voor de vraag of een object moet worden beschermd tegen stankhinder.