Uitspraak
200806627/1/H1), aldus de toelichting.
200806627/1/H1, dat bij de vaststelling van de mate van bescherming van een agrarische bedrijfswoning, die is afgesplitst van een nog in werking zijnde veehouderij, aansluiting wordt gezocht bij de juridisch planologische status van die woning. Uit de bewoordingen en de strekking van de Wgv volgt dat alleen geurgevoelige objecten die geen onderdeel uitmaken van een inrichting voor bescherming ten opzichte van die inrichting in aanmerking komen. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 april 2011, in zaak nr.
201007899/1/H1, overweegt de Afdeling voorts dat de uitzondering op het gebruiksverbod, anders dan [appellant sub 8] betoogt, niet met zich brengt dat de door hem bedoelde woning aan de Beelenstraat 4 moet worden aangemerkt als burgerwoning. Deze agrarische bedrijfswoning blijft immers in planologisch opzicht deel uitmaken van het bijbehorende agrarische bedrijf. De raad heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat deze agrarische bedrijfswoning, die in hetzelfde bouwvlak staat als de veehouderij van [appellant sub 8] en als burgerwoning wordt gebruikt, geen bescherming toekomt op grond van de Wgv en dat het gebruik van deze woning als burgerwoning de uitbreidings- en exploitatiemogelijkheden van zijn veehouderij niet belemmert. Gelet hierop is zijn vrees dat hij wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering ongegrond.
200405077/1, is het reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg grotendeels onherroepelijk geworden en is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: