ECLI:NL:RVS:2009:BJ2177
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid staatssecretaris bij vreemdelingenbewaring en asielaanvraag
De vreemdeling werd op 17 april 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld en gaf op die dag aan een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen. De staatssecretaris stelde hem op 25 april 2009 in de gelegenheid deze aanvraag in te dienen, welke op 27 april 2009 in behandeling werd genomen. De vreemdeling betoogde dat deze periode van tien dagen te lang was en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzetting.
De Raad van State oordeelde dat, gelet op eerdere jurisprudentie, de periode niet onredelijk was en dat de staatssecretaris voldoende voortvarendheid had betracht. Het eerste gehoor en het Dublingehoor, die gericht zijn op identiteit, nationaliteit, reisroute en overdracht van de asielaanvraag aan een ander land, zijn van directe betekenis voor de uitzetting en vonden tijdig plaats.
De rechtbank had de klacht van de vreemdeling afgewezen en het verzoek om schadevergoeding verworpen. De Raad van State bevestigde deze uitspraak en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de staatssecretaris heeft voldoende voortvarend gehandeld.