Uitspraak
200506843/1niet voort dat de bevoegdheid van het algemeen bestuur om de Keur vast te stellen, is vervallen, nu die bevoegdheid rechtstreeks voortvloeit uit artikel 56, eerste lid, van de Waterschapswet.
Raad van State
Het algemeen bestuur van het waterschap Aa en Maas stelde op 23 maart 2007 de Keur op de waterberging vast. Tegen deze vaststelling werd administratief beroep ingesteld bij het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, dat het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank 's-Hertogenbosch bevestigde dit oordeel, waarna hoger beroep bij de Raad van State werd ingesteld.
Appellanten voerden aan dat het algemeen bestuur niet bevoegd was tot vaststelling van de Keur, onder meer omdat de Keur gebaseerd zou zijn op een vernietigd reconstructieplan en er geen wettelijke grondslag zou zijn voor waterbergingsgebieden. De Raad van State oordeelde dat de bevoegdheid van het algemeen bestuur rechtstreeks voortvloeit uit de Waterschapswet en niet vervallen is door eerdere uitspraken. Ook de stelling dat de Keur onrechtmatig zou zijn omdat deze gebaseerd is op de nog niet in werking getreden Waterwet werd verworpen.
Verder werd betoogd dat het waterschap niet bevoegd zou zijn tot realisering van waterbergingscapaciteit op gronden die niet tot het oppervlaktewaterlichaam behoren. De Raad van State stelde dat het kwantiteitsbeheer ook het afvoeren van overtollig water naar nabijgelegen gebieden omvat, en dat de taak van het waterschap niet beperkt is tot watergangen zelf.
De Raad van State concludeerde dat het algemeen bestuur bevoegd was tot vaststelling van de Keur en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.