ECLI:NL:RVS:2009:BJ3052
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling schorsing onderzoek ter zitting in vreemdelingenbewaring niet in strijd met wettelijke termijn
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de uitspraak van de rechtbank die zijn beroep tegen inbewaringstelling ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling stelde dat de rechtbank de wettelijke termijn van veertien dagen voor het houden van de zitting, zoals bedoeld in artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, had overschreden door het onderzoek ter zitting op 27 mei 2009 te schorsen en hem zonder gemachtigde te horen. Hij betoogde dat dit zijn verdedigingsbelang schaadde.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank tijdig was begonnen met het onderzoek ter zitting door de vreemdeling op de tiende dag na ontvangst van het beroepschrift in aanwezigheid van een tolk te horen. De schorsing was niet langer dan noodzakelijk en het vervolgonderzoek vond plaats in aanwezigheid van de gemachtigde. De wettelijke termijn ziet op het houden van de zitting en niet op het sluiten ervan. De rechtbank heeft aldus de wettelijke bepalingen correct toegepast en de belangen van de vreemdeling zijn niet geschaad.
De grief van de vreemdeling faalt en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de rechtbank de wettelijke termijn heeft nageleefd en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.