ECLI:NL:RVS:2009:BJ4392
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inbewaringstelling vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet 2000 artikel 59
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig achtte. De vreemdeling was op 27 april 2009 in bewaring gesteld met het oog op uitzetting naar Georgië, mede op basis van een toezegging van de Georgische consul dat een laissez passer zou worden verstrekt.
De staatssecretaris stelde dat hiermee voldaan was aan de voorwaarde dat de noodzakelijke reisbescheiden binnen korte termijn beschikbaar zouden zijn. De rechtbank oordeelde echter dat het niet duidelijk was of de vreemdeling daadwerkelijk zou worden toegelaten in Georgië, omdat een definitieve bevestiging afhankelijk was van een nog te voeren gesprek tussen Nederlandse en Georgische autoriteiten.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat de staatssecretaris zich niet redelijkerwijs op de toezegging kon baseren om de vreemdeling in bewaring te stellen. De toezegging was onvoldoende concreet en de noodzakelijke documenten waren niet gegarandeerd binnen korte termijn beschikbaar. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €644,00 aan de vreemdeling. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij inbewaringstellingen en de noodzaak van concrete zekerheid over terugkeerdocumenten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.