Uitspraak
200400599/1. Daarbij komt dat het college onweersproken heeft gesteld dat de kosten van de effectuering van een eventuele bestuursdwangaanschrijving niet op de dochter van [appellant] kunnen worden verhaald. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen, in lijn met wat de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juni 2002 in zaak nr.
200104047/1; AB 2003,53), dat de keuze van het college voor het instrument van de last onder dwangsom in beginsel geen afzonderlijke motivering behoeft. Artikel 5:32 van Pro de Algemene wet bestuursrecht biedt het bestuursorgaan, dat bevoegd is tot het toepassen van bestuursdwang, de keuze voor het opleggen van een last onder dwangsom, met dien verstande dat voor het opleggen van een last onder dwangsom niet wordt gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich daartegen verzet. Dit laatste is niet het geval nu niet valt in te zien dat de belangen die worden beschermd door artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet aan de oplegging van een last onder dwangsom in de weg staan. Evenmin is sprake van een urgente situatie of onomkeerbare gevolgen die tot toepassing van bestuursdwang nopen. Dat [appellant] - naar hij stelt - om aan de last te kunnen voldoen, gedwongen is bij de burgerlijke rechter toestemming te vragen om op te treden tegen de woonunit van zijn dochter, kan - wat daar ook van zij - er niet toe leiden dat moet worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid, alle omstandigheden van het geval afwegend, het instrument van de last onder dwangsom om juridische en praktische redenen een geschikter middel heeft mogen achten dan het instrument van bestuursdwang. De verder door [appellant] genoemde omstandigheden dat hij een hoge leeftijd en een slechte gezondheid heeft, leiden evenmin tot dit oordeel.