ECLI:NL:RVS:2009:BJ4752
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-ontvankelijkheid bezwaar vreemdeling en afwijzing verzoek kostenvergoeding
De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. In zijn bezwaarschrift verzocht hij tevens om vergoeding van de kosten die hij had moeten maken voor de behandeling van het bezwaar. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en besloot niet uitdrukkelijk op het verzoek om kostenvergoeding.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en stelde vast dat de staatssecretaris niet op het verzoek om kostenvergoeding had beslist, maar oordeelde dat dit niet tot veroordeling van de staatssecretaris tot kostenvergoeding leidde. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat hiermee artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht was geschonden.
De Raad van State oordeelde dat het besluit van de staatssecretaris, gelet op de motivering dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, ook moest worden gelezen als een afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding. De rechtbank had dit niet onderkend, maar het oordeel dat geen aanleiding was tot kostenvergoeding werd niet bestreden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de motivering.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.