Uitspraak
200403412/1bevestigd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk heeft appellanten op 16 oktober 2002 verplicht de op de zolder van hun pand aangebrachte badkamer te verwijderen, onder dreiging van een dwangsom. Deze last werd gehandhaafd na bezwaar en beroep, waarbij de rechtbank Zutphen het beroep ongegrond verklaarde. Appellanten stelden dat zij door het bezwaar in een slechtere positie zijn gekomen, dat zij niet opnieuw zijn gehoord bij het nieuwe besluit op bezwaar, en dat zij niet in hun macht hebben aan de last te voldoen omdat zij geen eigenaar zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college het besluit op bezwaar volledig mocht heroverwegen en de last onder dwangsom mocht opleggen. Er was geen verplichting tot hernieuwd horen omdat geen nieuwe omstandigheden waren gesteld. Ook is voor het opleggen van een last onder dwangsom niet vereist dat de overtreder eigenaar is, maar dat hij het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom tot verwijdering van de badkamer bevestigd.