Uitspraak
200801345/1) zijn bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) omstandigheden die bij het vaststellen van het te voeren beleid niet zijn voorzien. De stelling van [appellant] dat het kenmerkende karakter van het slagenlandschap ook bij demping van de lengtesloot in dit geval in stand blijft, levert geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan het college in afwijking van de in het Uitvoeringsplan gestelde grenzen een ontheffing diende te verlenen voor het dempen van de lengtesloot. De rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen dat in de in het Uitvoeringsplan neergelegde maatstaf het oordeel besloten ligt dat bij het ontstaan van een perceel met een breedte van meer dan 60 meter door demping van de lengtesloot, het type, karakter of de schaal van het landschap wordt aangetast. [appellant] heeft de stelling dat in zijn geval het slagenlandschap niet wordt aangetast, ongeacht de demping van de lengtesloot, omdat voldoende lengtesloten aanwezig zijn, een greppel aanwezig is en de akker wordt rond gelegd, onvoldoende onderbouwd. In het bijzonder kan de enkele constatering dat elders in de omgeving wel wordt voldaan aan de beleidsmaatstaf tot behoud van het karakter van het landschap niet dienen als rechtvaardiging om in dit geval wel af te wijken van die maatstaf reeds omdat het gelijkheidsbeginsel zich daartegen verzet.