Uitspraak
200808882/1), vloeit uit het bepaalde in artikel 16, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Awir, voort dat aan de verlening van een voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een met dat voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormelde bepaling (Kamerstukken II, vergaderjaar 2004/05, 29 764, nr. 3, p. 48 en 49) kan worden afgeleid dat bedoeld is dat een verleend voorschot kan worden herzien, indien na de verlening blijkt dat dit tot een hoger of lager bedrag is toegekend, dan dat waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld. Dat is in dit geval niet anders. Het beroep van appellant op artikel 21, eerste lid, Awir, kan niet slagen omdat dit artikel ziet op toegekende tegemoetkomingen en niet op voorschotten. Voorts leidt artikel 9, eerste lid, van de Awir er niet toe dat de Belastingdienst gehouden was de verblijfsstatus van [appellant] vast te stellen alvorens hij over toekenning van een voorschot zorgtoeslag kon besluiten. Dat [appellant] een voorschot is toegekend betekent dan ook niet dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat zijn onrechtmatig verblijf hem niet meer zou worden tegengeworpen. Voorts kan [appellant] ook aan zijn stelling dat hij een WAO-uitkering ontvangt geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat een met het voorschot overeenkomende aanspraak op toeslag bestaat.