Uitspraak
200707250/1)) blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 2003/04, 29 523, nr. 3, p. 18) dat voormelde termijn een termijn van orde is. Derhalve heeft overschrijding hiervan niet het gevolg als hiervoor door [appellante] betoogd.
200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan.
200708500/1) en het betoog dat de vreemdelingen hun best hebben gedaan om zoveel mogelijk op de foto op het identiteitsdocument te lijken zodat [appellante] geen afwijkingen in uiterlijke kenmerken zou constateren, kan wat betreft voormelde zes vreemdelingen niet worden gevolgd, reeds omdat anders dan in de zaak die tot voormelde uitspraak heeft geleid, ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] niet originele identiteitsdocumenten van deze vreemdelingen heeft gecontroleerd. De vergelijking van de uiterlijke kenmerken van deze vreemdelingen en de foto's op de identiteitsdocumenten heeft derhalve plaatsgevonden aan de hand van kopieën van deze documenten, waarmee [appellante] het risico heeft aanvaard eventuele afwijkingen in uiterlijke kenmerken niet op te merken. Ten aanzien van de twee vreemdelingen die wel hebben verklaard een origineel identiteitsdocument te hebben getoond, volgt uit het boeterapport dat tussen de uiterlijke kenmerken van deze vreemdelingen en de foto's op de door hen gebruikte identiteitsdocumenten op een aantal punten zodanig duidelijk verschil bestaat dat ook een persoon die geen specifieke deskundigheid bezit op het gebied van gezichtsherkenning tot de conclusie had moeten komen dat de vreemdelingen niet de personen zijn die op de identiteitsdocumenten staan afgebeeld, althans dat gerede twijfel bestaat of het dezelfde personen zijn. [appellante] had derhalve deze afwijkingen dienen op te merken. Ten aanzien van de vreemdeling die gebruik heeft gemaakt van een vervalste Nederlandse identiteitskaart volgt uit het boeterapport dat de postcode op deze kaart niet overeenkwam met die van Amsterdam, de plaats waar deze zou zijn afgegeven, hetgeen [appellante] evenzeer had kunnen en derhalve moeten opmerken.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete over te gaan indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. [appellante] is hierin met de door haar overgelegde financiële gegevens niet geslaagd.