Uitspraak
200200561/1is de Afdeling echter van oordeel dat in een geval waarin aan de totstandkoming van een bouwwerk - bezien vanuit een oogpunt van hinder van omwonenden - zwaarwegende bezwaren zijn verbonden, de weigering van de bouwvergunning noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Het college heeft zich, gelet op het negatieve advies van de commissie Welstand en Monumenten van 29 januari 2007, waarin is uiteengezet dat de zendmast wat plaatsing, grootte en vormgeving betreft bijzonder nadrukkelijk aanwezig is en niet past bij het karakter van de woonwijk, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de realisering van een dergelijk bouwwerk in de betrokken woonomgeving onevenredig bezwarend is voor omwonenden. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat niet is gesteld of gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan zijn oordeel ten grondslag had mogen leggen. Dat de hinder volgens [appellant] voor [belanghebbende] beperkt is, gelet op de situering van de antennemast ten opzichte van diens perceel en woning, leidt reeds niet tot een ander oordeel, omdat in deze procedure ook de belangen van andere omwonenden dienen te worden meegewogen. Ook het betoog van [appellant] dat de aanvankelijk bij besluit van 6 juni 2007 verleende bouwvergunning in stand zou zijn gebleven indien [belanghebbende] daartegen geen bezwaar had gemaakt, geeft geen grond voor het oordeel dat het college zich in bezwaar niet op het standpunt mocht stellen dat het bouwwerk voor omwonenden onevenredig bezwarend is.