Uitspraak
200701608/1, is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat slechts aanleiding, wanneer deze een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezen rechter is om die vraag te beantwoorden. De betreffende ramen zijn gesitueerd ter plaatse van de bergingsruimten van de woningen in een schuin gedeelte van het dak. De betreffende balkons zijn gesitueerd aan de achtergevel van het bestaande pand haaks tegen de erfgrens en aan die zijde afgeschermd door een muur. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van strijd met artikel 5:50, eerste lid, van het BW, kan deze worden weggenomen door het aanbrengen van veranderingen van niet ingrijpende aard. Volgens het college zal vergunninghoudster erop toezien dat de ramen niet kunnen worden geopend en zullen worden voorzien van ondoorzichtig vensterglas en kan bij de balustrade van de balkons een schot worden geplaatst waardoor de lengte van de zichtlijn van het balkon tot de erfgrens meer dan 2 meter bedraagt. Dit in aanmerking genomen is niet evident dat privaatrechtelijke belemmeringen in de weg staan van realisering van het bouwplan.