ECLI:NL:RVS:2019:523

Raad van State

Datum uitspraak
20 februari 2019
Publicatiedatum
20 februari 2019
Zaaknummer
201803678/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WaboArt. 5:50 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vergunning voor verbouwing met balkons ondanks privacybezwaar buur

Het college van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg verleende op 4 augustus 2017 een omgevingsvergunning aan een vergunninghoudster voor het verbouwen van een pand te Raamsdonkveer, waarbij twee appartementen met balkons op de bovenste verdieping werden gerealiseerd. De buurman, appellant, maakte bezwaar vanwege privacyverlies door inkijk vanaf de balkons in zijn tuin.

De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het eerdere besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 15 januari 2019 en hoorde partijen.

De Afdeling oordeelde dat het uitzicht vanaf de balkons niet direct op het erf van appellant is, maar zijdelings, en dat het verbod van artikel 5:50 BW Pro alleen ziet op direct uitzicht binnen twee meter van de erfgrens. Bovendien was de vergunninghoudster bereid ondoorzichtige privacy-schermen aan te brengen op de korte zijden van de balkons die binnen twee meter van de erfgrens liggen, waarmee het privacybezwaar kan worden weggenomen.

De Afdeling concludeerde dat er geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die vergunningverlening in de weg staat en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201803678/1/A1.
Datum uitspraak: 20 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 5 april 2018 in zaken nrs. 18/1368 en 18/1370 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg.
Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2017 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van het pand [locatie 1] te Raamsdonkveer.
Bij besluit van 2 maart 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 maart 2018 vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
[vergunninghoudster] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener te ’s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door I.A.G.J. Reijnders, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat te ’s-Hertogenbosch, gehoord.
Overwegingen
1.    Het bouwproject bestaat uit het realiseren van twee appartementen met balkons op de bovenste verdieping van het pand [locatie 1]. De verleende omgevingsvergunning betreft een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk en het gebruik van gronden of een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
[appellant] woont in het naburig pand [locatie 2] en is bevreesd voor aantasting van zijn privacy vanwege de inkijk in zijn tuin vanaf de meest nabijgelegen balkons.
2.    Het hoger beroep richt zich op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die vergunningverlening in de weg staat.
2.1.    Artikel 5:50 van Pro het Burgerlijk wetboek (hierna: BW) luidt:
"1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.
2. De nabuur kan zich niet verzetten tegen de aanwezigheid van zodanige openingen of werken, […] indien het uitzicht niet verder reikt dan tot een binnen twee meter van de opening of het werk zich bevindende muur. […]
3. De in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.
[…]"
2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat vanaf de balkons geen rechtstreeks uitzicht bestaat op de tuin en woning van [appellant]. Er is alleen zijdelings uitzicht. Uit artikel 5:50, eerste lid, van het BW, gelezen in samenhang met het derde lid, kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat naast het rechtstreekse uitzicht ook het uitzicht dat niet rechtstreeks is, het zijdelingse uitzicht, moet worden begrepen onder het verbod van dat artikel. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning in de weg staat.
2.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7751), bestaat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.
2.4.    Niet ter discussie staat dat de geplande balkons gedeeltelijk zijn gelegen binnen een afstand van twee meter van de erfgrens van het perceel van [appellant]. Vanaf de korte zijkant van de balkons bestaat - anders dan de rechtbank concludeerde - rechtstreeks uitzicht op het erf van [appellant].
[vergunninghoudster] heeft echter in haar schriftelijke uiteenzetting verklaard bereid te zijn om de balkons die binnen een afstand van twee meter van de erfgrens zijn gelegen, aan de korte zijden te voorzien van ondoorzichtige privacy-schermen van voldoende hoogte, waardoor vanaf die positie geen rechtstreeks uitzicht op het naburig perceel kan bestaan. Ter zitting heeft zij dit nogmaals toegezegd. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat sprake is van strijd met artikel 5:50 van Pro het BW, kan deze worden weggenomen door het aanbrengen van veranderingen van niet ingrijpende aard. Naar het oordeel van de Afdeling leveren de balkons dan ook geen evidente privaatrechtelijke belemmering op als door [appellant] is aangevoerd.
De rechtbank heeft terecht, zij het op andere gronden, geconcludeerd dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, die aan vergunningverlening in de weg staat.
Conclusie
3.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd
4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Uylenburg    w.g. Van der Maesen de Sombreff
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2019
190-908.