Uitspraak
200702722/1), bestaat in het algemeen geen concreet zicht op legalisering, indien het college niet bereid is de daarvoor vereiste vrijstelling te verlenen. Dat volgens Dierenthuis uit door haar overgelegde rapporten blijkt dat geen sprake is van geur- en geluidoverlast - wat hiervan zij - maakt dit niet anders. Het college is immers niet slechts vanwege gevreesde geur- en geluidoverlast niet bereid vrijstelling te verlenen, maar met name ook vanwege de vorm en de omvang van de door Dierenthuis voorgestane opvang, die volgens het college een onevenredig zware belasting voor het onderhavige bosgebied en de omwonenden oplevert. Het college heeft in dit verband in het verweerschrift van 31 maart 2009 erop gewezen dat op dat moment meer dan 1200 deels zieke katten en honden in de opvang aanwezig zijn en dat Dierenthuis dit aantal wil uitbreiden naar 2000, hetgeen door Dierenthuis niet is weersproken.
200701730/1) spelen bij de vraag of een college in redelijkheid tot vaststelling van de desbetreffende hoogte van een dwangsom heeft kunnen komen, de financiële omstandigheden van de overtreder geen rol. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het college in het onderhavige geval bij de bepaling van de hoogte van de dwangsom rekening heeft kunnen houden met de omstandigheid dat in het verleden de gewraakte overtredingen door Dierenthuis zijn voortgezet en uitgebreid, ondanks een nadrukkelijk verzoek van het college de verhuizing naar het perceel stop te zetten en haar activiteiten ter plaatse niet verder uit te breiden. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de opgelegde dwangsom in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom.