Uitspraak
200100803/1gaat dan ook niet op.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Duiven legde appellante een dwangsom op om de detailhandelverkoop van diervoeders en dierbenodigdheden te beëindigen, omdat deze verkoop in strijd zou zijn met het bestemmingsplan "Nieuwgraaf, 5e wijziging". Appellante stelde dat zij op grond van een vrijstelling uit 1992 gerechtigd was deze producten te verkopen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat diervoeders en dierbenodigdheden niet onder de definities van bouwmarkt of tuincentrum vallen zoals opgenomen in het bestemmingsplan, en dat het vrijstellingsbesluit uit 1992 deze verkoop niet toestaat. Appellante voerde aan dat er concreet zicht op legalisering bestond en dat handhaving onevenredig zou zijn, mede vanwege het geringe verkoopoppervlak en de lage omzet van deze producten.
De Raad van State verwierp deze argumenten. Het college was niet bereid tot vrijstelling vanwege strijd met gemeentelijke nota's en structuurplannen, en er bestond geen concreet zicht op legalisering. Ook het geringe oppervlak en de imagoschade vormden geen bijzondere omstandigheden om af te zien van handhaving.
De uitspraak van de voorzieningenrechter werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving van het detailhandelverbod bevestigd.