ECLI:NL:RVS:2009:BJ9164
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Geen verblijfsvergunning voor Afghaanse vrouwen zonder specifieke individuele risico's
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 september 2009 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de besluiten van de staatssecretaris van Justitie van 18 oktober 2007, waarin aanvragen van Afghaanse vrouwen en hun minderjarige kinderen om een verblijfsvergunning asiel werden afgewezen.
De rechtbank had de beroepen gegrond verklaard en de besluiten vernietigd, maar de staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. De Raad van State overwoog dat de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, inclusief Kabul, weliswaar verslechterd is, maar dat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden oplevert die het eerdere besluit substantieel wijzigen, behalve voor de minderjarige vreemdeling sub 2.
Verder oordeelde de Raad dat vrouwen in Afghanistan niet als een groep kunnen worden aangemerkt die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen zoals bedoeld in artikel 3 EVRM Pro, mede omdat de wettelijke positie van vrouwen sinds de val van de Taliban is verbeterd. De vreemdelingen moesten daarom met specifieke individuele kenmerken aantonen dat zij een reëel risico lopen op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling. Het enkele aannemen van een westerse levensstijl werd onvoldoende geacht om bescherming te rechtvaardigen.
De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van de Afghaanse vrouwen worden ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte individuele risico's voor een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.