Uitspraak
200503095/1) dient degene die zich op het overgangsrecht beroept de feiten en omstandigheden waarop dat beroep rust aannemelijk te maken. Zoals de Afdeling evenzeer eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 april 2007 in zaak nr.
200605047/1) brengt intensivering van het gebruik een vergroting van de afwijking van het bestemmingsplan naar de aard met zich.
200802708/1volgt, is de enkele omstandigheid dat het college bekend is met de overtredingen, maar gedurende geruime tijd daartegen niet handhavend is opgetreden, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het college daardoor bij [appellant] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat daartegen niet meer handhavend zou worden opgetreden. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het college ter zitting heeft verklaard wel bekend te zijn geweest met het feit dat op het perceel paarden werden gehouden, maar dat deze activiteiten in het begin hobbymatig werden verricht, hetgeen in overeenstemming was met het bestemmingsplan. De omstandigheid dat de paardenhouderij in de loop van de jaren een bedrijfsmatig karakter kreeg en omwonenden overlast hiervan ondervonden, was voor het college aanleiding om handhavend op te treden. De rechtbank heeft in dit verband voorts met juistheid overwogen dat het college in 2001 en 2002 aan [appellant] schriftelijk te kennen heeft gegeven dat er mogelijk handhavend zou worden opgetreden. Voorts volgt uit de omstandigheid dat de ter legalisatie van de gebouwen ingediende bouwaanvragen in de periode na 2002 zijn afgewezen, dat [appellant] er op dat moment niet van uit mocht gaan dat het college de manege zou legaliseren dan wel gedogen.