Uitspraak
200402583/1/M2, inzake het beroep dat hij tegen de besluiten van 28 september 2001 en 25 september 2003 heeft ingesteld. Uit deze uitspraken volgt volgens [appellant] dat er in verband met de op deellocatie 11 aanwezige bodemverontreiniging een plan van aanpak diende te worden opgesteld. Ook zou uit de uitspraken volgen dat voor deellocatie 11 nog actualisatieonderzoek moest plaatsvinden, welk onderzoek volgens [appellant] maar voor een klein deel is uitgevoerd.
200402583/1, niet dat op deellocatie 11 een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig was.
200402583/1, staat vast dat het besluit van 28 september 2001 onrechtmatig was. Gelet op het systeem van de Wet bodembescherming had geen raamsaneringsplan mogen worden vastgesteld zonder dat daaraan voorafgaand besluiten waren genomen inzake de ernst en urgentie van de te saneren gevallen van bodemverontreiniging, als bedoeld in artikel 29, eerste lid in samenhang met artikel 37, eerste lid (oud), van de Wet bodembescherming. Over de vraag of op deellocatie 11 bodemverontreiniging aanwezig was die aanleiding had moeten geven tot het voor deze locatie vaststellen van een geval van ernstige verontreiniging heeft de Afdeling zich echter niet uitgesproken. Alleen indien door het besluit van 28 september 2001, dat ten uitvoer is gebracht totdat het bij het besluit van 25 maart 2003 werd ingetrokken, zonder de daarvoor vereiste besluiten ter plaatse van deellocatie 11 handelingen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming hebben plaatsgevonden, kan er grond zijn voor het oordeel dat de door [appellant] gestelde schade mogelijk door het besluit is veroorzaakt.
200700610/1mocht het college bij de beoordeling als uitgangspunt hanteren dat een aldus samengestelde laag niet als bodem als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet bodembescherming moet worden beschouwd. In het vak 4 is ook bodem aangetroffen. Gelet op de bij de onderzoeksverslagen gevoegde tekeningen, in het bijzonder de overzichtskaart op pagina 21 van het rapport van Fibrecount, waar is aangegeven dat de proefsleuven puin bevatten, acht de Afdeling het, anders dan in het deskundigenbericht is vermeld, aannemelijk dat de mengmonsters uit het vak waarin het asbest is aangetroffen uitsluitend materiaal uit de puinlaag bevatten. Gelet daarop bevond het aangetroffen asbest zich niet in de bodem.