Uitspraak
200704019/1) niet aan in de weg dat verwijtbaarheid geen bestanddeel is van de verbodsbepaling van artikel 2, eerste lid, van de Wav, terwijl ingevolge die bepaling een boete wordt opgelegd. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM; onder meer het arrest van 7 oktober 1988, nr. 10519/83, Salabiaku tegen Frankrijk; NJ 1991/351) volgt dat het niet in strijd is met genoemd beginsel om in een wettelijke regeling uit te gaan van verwijtbaarheid, indien deze weerlegbaar is en met de betrokken belangen van de overtreder rekening wordt gehouden. Het EHRM heeft voorts aanvaardbaar geacht dat de last de verwijtbaarheid te weerleggen bij de overtreder wordt gelegd, zelfs wanneer dat niet eenvoudig is (arrest van 23 juli 2002, nr. 34619/97, Janosevic tegen Zweden; EHRC 2002/88).
200607461/1), heeft de staatssecretaris (thans: de minister) in het kader van zijn bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Wav reeds een afweging gemaakt welke boete bij een bepaalde overtreding evenredig moet worden geacht en is hij daarbij tot een stelsel van uniforme boetebedragen gekomen. Niet kan worden geoordeeld dat de staatssecretaris (thans: de minister) tot een onredelijke beleidsbepaling is gekomen.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200806748/1/V6), artikel 6 van Pro het EVRM meebrengt dat de rechter toetst of de bestuurlijke boete in overeenstemming is met de ernst van de overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan en die waarin de overtreder verkeert.
200705985/1), is het aan de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI) om in het kader van een aanvraag van een tewerkstellingsvergunning te beoordelen of voor de tewerkstelling van een vreemdeling prioriteitgenietend arbeidsaanbod aanwezig was en of de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden zich tegen de beoogde tewerkstelling verzetten. Nu [appellant] geen tewerkstellingsvergunning voor de door de vreemdeling te verrichten werkzaamheden heeft aangevraagd, heeft deze beoordeling door de CWI niet plaatsgevonden en is derhalve niet vastgesteld dat de doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden. De enkele niet gestaafde stelling van [appellant] dat dit het geval is, is hiervoor onvoldoende.
200802451/1), kunnen de aard, intensiteit en duur van de werkzaamheden een rol spelen bij de vraag of en in hoeverre de hoogte van de boete overeenstemt met de ernst van de overtreding. In de door de inspecteur op ambtseed opgemaakte verklaring van [appellant] van 30 januari 2008 is vermeld dat de vreemdeling hem heeft geholpen met het opruimen van hout- en verfresten en het verzamelen van metaal van de verwarming. Voorts volgt uit deze verklaring dat het de bedoeling was dat de vreemdeling de resten in de aanhangwagen zou leggen en mee zou helpen om deze naar de kringloop te brengen. Bovendien is in het bezwaarschrift van 3 juli 2008, tijdens de hoorzitting naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift, gehouden op 21 juli 2008, en in het beroepschrift van 5 september 2008 vermeld dat het hulp gedurende één dag betrof, zodat geen sprake is van werkzaamheden van een dermate beperkte omvang dat op grond hiervan de opgelegde boete voor matiging in aanmerking komt. Dat - naar gesteld - de vreemdeling de werkzaamheden om niet zou hebben verricht, is onder deze omstandigheden onvoldoende om tot matiging van de opgelegde boete te leiden.