Uitspraak
200607474/1) is ook een opdrachtgever die via een tussenpersoon arbeid laat verrichten aan te merken als werkgever in de zin van de Wav. Dat VFT, zoals zij betoogt, de opdracht tot het verrichten van werkzaamheden aan [bedrijf] heeft gegeven, met de vreemdelingen geen arbeidsrelatie heeft en met de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden geen bemoeienis heeft gehad, leidt, zoals blijkt uit voormelde uitspraak, niet tot een ander oordeel. Bij uitspraak van 11 juli 2007 in zaak nr.
200700303/1heeft de Afdeling overwogen dat instemming met, respectievelijk wetenschap van de arbeid voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet is vereist; het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid.
200602123/1, vanwege de op haar rustende zorgplicht wel van haar kon worden gevergd. In de verklaring van de bedrijfsleider van [bedrijf], inhoudende dat hij alle paspoorten van de werkzame personen op enig moment heeft gecontroleerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat dit afdoet aan de verplichting van VFT zich er zelf tijdig van te vergewissen of voor deze personen een tewerkstellingsvergunning was afgegeven.
200702460/1, VFT niet ontsloeg van de op de voet van artikel 15, tweede lid, van de Wav, op haar rustende plicht de identiteit van de vreemdelingen aan de hand van een origineel identiteitsdocument ook zelf te controleren en VFT er in het geheel geen blijk van heeft gegeven dat zij dit heeft gedaan dan wel gepoogd heeft te doen.