Uitspraak
200803832/1) biedt het enkele tijdsverloop tussen het constateren van het beboetbare feit en het opmaken van het boeterapport, in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 18b, eerste lid, van de Wav, geen grond voor het oordeel dat deze bepaling is geschonden. Evenmin leidt de omstandigheid dat de boete ruim tien maanden na de constatering van de overtreding is opgelegd, tot de conclusie dat de oplegging van de boete onrechtmatig is, reeds omdat de minister hiermee niet heeft gehandeld in strijd met artikel 19f, eerste lid, van de Wav. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de Afdeling in de hiervoor vermelde uitspraak eveneens heeft overwogen, aan de overschrijding van de in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb vermelde termijn geen gevolgen zijn verbonden.
200802872/1), bestaat geen reden tot matiging van de opgelegde boete, indien de beboete werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen.