ECLI:NL:RVS:2009:BK3323
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Gebruik beëdigde tolk niet vereist bij verhoor vreemdeling tijdens ophouding
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage over het gebruik van een beëdigde tolk tijdens een verhoor in het kader van vreemdelingenbewaring. De vreemdeling stelde dat hij ten onrechte zonder beëdigde tolk in het Engels is gehoord terwijl hij alleen Somalisch voldoende beheerst.
De Raad van State oordeelde dat artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) de politie verplicht een beëdigde tolk in te schakelen indien dit nodig wordt geacht, maar dat dit niet betekent dat bij elk verhoor tijdens ophouding een beëdigde tolk verplicht is. Uit de Vreemdelingencirculaire 2000 volgt dat een tolk moet worden ingeschakeld als communicatie niet mogelijk is, maar in deze zaak was er geen sprake van gebrekkige communicatie.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat geen beëdigde tolk nodig was bij het verhoor op 18 augustus 2009. Daarnaast werd geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte in proceskosten werd veroordeeld voor het indienen van het beroepschrift en verschijnen op een tweede zitting, en werd dit deel van de uitspraak vernietigd. Het hoger beroep werd verder gegrond verklaard en de proceskosten werden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Geen beëdigde tolk verplicht bij verhoor tijdens ophouding; proceskosten deels toegewezen aan vreemdeling.