Uitspraak
200901365/2, JV 2009/326), bestaat geen aanspraak op schadevergoeding in de situatie waarin de behandelingsduur in de bezwaarfase te lang is geweest, maar het geschil daarna niet aan de rechter is voorgelegd.
Raad van State
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding van een vreemdeling die in 1998 ongewenst werd verklaard en tegen dat besluit bezwaar maakte. De minister en later de staatssecretaris van Justitie wezen het verzoek om schadevergoeding af omdat niet voldaan was aan de wettelijke vereisten.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de termijnoverschrijding bij de bezwaarprocedure geen grond is voor vergoeding van vermogensschade, omdat het nationale vreemdelingenrecht niet strekt tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen.
Daarnaast faalde het beroep op immateriële schadevergoeding wegens verstoring van het familieleven en psychologische druk, omdat niet was aangetoond dat sprake was van aantasting van eer en goede naam of persoon. Ook het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat geen beroep was ingesteld tegen het latere besluit.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding in de bezwaarprocedure wordt afgewezen.