ECLI:NL:RVS:2009:BK3657
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- V. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering handhaving tegen strijdig gebruik panden als school in Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen het gebruik van panden aan de Zeestraat 62-66 als school af, omdat het gebruik in strijd was met het bestemmingsplan. Het college verleende vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), waardoor concreet zicht op legalisatie bestond.
Appellanten stelden dat het college ten onrechte handhaving weigerde omdat onzeker was of de aan de vrijstelling verbonden voorwaarde omtrent het gebruik van de achterplaats voldoende bescherming bood tegen geluidshinder. De rechtbank oordeelde echter dat het college in redelijkheid tot weigering van handhaving kon besluiten vanwege het concrete zicht op legalisatie.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het verschil van inzicht over de effectiviteit van de voorwaarde onvoldoende is om het concrete zicht op legalisatie te betwisten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot handhaving wordt bevestigd.