Uitspraak
200703658/1, is dit beleid niet onredelijk.
Raad van State
De directie van de Dienst Wegverkeer (RDW) trok op 9 mei 2008 de LPG-erkenning van appellant in vanwege een ernstige overtreding: een medewerker van appellant zou een RDW-keurmeester verbaal hebben bedreigd tijdens een steekproefcontrole. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de RDW werd afgewezen, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank Roermond. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het bestuursorgaan mag uitgaan van een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, waarin de bedreiging door de medewerker werd beschreven. De ontkenning door de medewerker en een verklaring van een aanwezige klant konden dit niet weerleggen. De Raad bevestigde dat de RDW de bedreiging als ondermijning van het toezicht mocht aanmerken, wat volgens het geldende Toezichtbeleid 2001 en 2008 rechtvaardigt dat de erkenning definitief wordt ingetrokken.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op het beroep van appellant tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Dit deel van het hoger beroep werd gegrond verklaard en het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant na het besluit op bezwaar geen belang meer had. De RDW werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
De intrekking van de LPG-erkenning bleef in stand, maar de procedurele tekortkoming werd hersteld door vernietiging van het deel van de uitspraak dat niet besliste op het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Uitkomst: Intrekking LPG-erkenning bevestigd; hoger beroep gegrond wegens niet-beslissen op beroep tegen uitblijven besluit op bezwaar, dat niet-ontvankelijk wordt verklaard.