Uitspraak
200606503/1heeft de Afdeling het besluit van het college van 18 juli 2006 omtrent goedkeuring van het plan vernietigd, voor zover het het deel van het gebied met de bestemming "Wooncentrum" betrof dat is gelegen tussen de Cingel en de Wassenaarstraat. Hieruit volgt dat het college gehouden was met betrekking tot dit plandeel een nieuw besluit omtrent goedkeuring te nemen. Noch uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening, noch uit enige andere wettelijke regeling vloeit voor de raad de verplichting voort met betrekking tot het bedoelde gebied een nieuw plan op te stellen en in procedure te brengen. Overigens blijkt uit de tekst van de bedoelde herstelnotitie dat de daarin aangekondigde terinzagelegging van een ontwerp van een bestemmingsplan betrekking heeft op de correctieve herziening naar aanleiding van het feit dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 september 2007 goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming "Centrumdoeleinden", ter plaatse van het perceel van [appellanten].
200805334/1/M2, heeft de Afdeling het beroep van Wassenaar Supermarkten b.v. tegen het juistgenoemde besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en dat besluit gedeeltelijk vernietigd. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat metingen waarbij ter plaatse van de betrokken woningen daadwerkelijk overschrijding van de geluidgrenswaarden is vastgesteld in de rapporten ontbreken, terwijl [appellanten] gemotiveerd hebben betoogd dat wel aan deze grenswaarden kan worden voldaan. Voorts wordt in die uitspraak vastgesteld dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de door LBP bij haar berekeningen gehanteerde uitgangspunten met betrekking tot de ondergrond tussen de supermarkt en de woningen en de mogelijkheid van zogenoemd stil gedrag tijdens het laden en lossen. Daarbij wordt verwezen naar het in die zaak uitgebrachte deskundigenadvies, dat door partijen ook in de thans aan de orde zijnde procedure is ingebracht.
200606503/1, heeft de Afdeling met betrekking tot de gevolgen van het plan voor de parkeersituatie ter plaatse onder meer overwogen, dat in het onderzoek waarop het college zijn besluit tot goedkeuring van 18 juli 2006 mede had gebaseerd geen rekening was gehouden met de parkeerbehoefte van het personeel en de bezoekers van de zorgunits en de bewoners en bezoekers van de aanleunwoningen. Verder overwoog de Afdeling dat zonder daarop gericht onderzoek niet aannemelijk was dat door de realisatie van het woonzorgcomplex geen negatieve effecten op de parkeerdruk binnen het winkelgebied zouden kunnen optreden. De Afdeling stelt vast dat in het rapport "Parkeerbehoefte woonzorgcomplex aan de Cingel" van DHV van 19 maart 2008, dat het college aan het thans bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, rekening is gehouden met de behoefte aan parkeerplaatsen ten behoeve van de bewoners, bezoekers en personeel van de zorgunits en de aanleunwoningen. In dat rapport wordt geconcludeerd dat de parkeerdruk in de omgeving als gevolg van de verwezenlijking van het woonzorgcomplex slechts één keer in de week, gedurende een half uur op vrijdagmiddag, boven de grens van 80 procent uitkomt en dan tussen de 83 en 88 procent zal bedragen. Het college heeft deze situatie vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar geacht.