Uitspraak
200702559/1komt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Monumentenwet 1988 naar voren dat bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 11 in Pro het concrete geval de belangen van de aanvrager dienen te worden afgewogen tegen de belangen van het beschermde monument (Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 20). Het belang van een belendend monument valt daar niet onder. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gezien hierover thans anders te oordelen.
200807474/1 en 200807474/2overwogen dat een aanvraag om een monumentenvergunning niet behoeft te worden getoetst aan de welstandsnota aangezien die toetsing dient plaats te vinden in het kader van de aanvraag om een bouwvergunning zoals is voorgeschreven in de Woningwet. Ook de Monumentenwet 1988 biedt geen aanknopingspunt voor de door [appellante] voorgestane toetsing. Om dezelfde redenen behoeft een aanvraag om een monumentenvergunning evenmin te worden getoetst aan het bestemmingsplan. De omstandigheid, dat de commissie een gecombineerd advies over de aanvragen om een bouw- en monumentenvergunning heeft gegeven en dat de gemeente Weesp geen beleid heeft waarin criteria zijn opgenomen voor de beoordeling van aanvragen om monumentenvergunningen, leidt gezien het vorenstaande niet tot een ander oordeel. Dat de welstandsnota een passage bevat over advisering met betrekking tot monumenten betekent niet dat ook aanvragen om monumentenvergunning aan deze nota dienen te worden getoetst. Gegeven de eigen van elkaar verschillende toetsingskaders van een monumentenvergunning en een bouwvergunning bestond er voor het college geen aanleiding om de welstandsnota als leidraad te hanteren bij de aanvraag om een monumentenvergunning.
200804977/1dit niet anders. Uit die uitspraak volgt dat indien een derde-belanghebbende gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria het overleggen van een advies van een deskundige ter zake niet is vereist. Aangezien het college in dit geval, zoals hiervoor vermeld, geen criteria voor de beoordeling van aanvragen om een monumentenvergunning in een nota of anderszins heeft vastgelegd, doet zich geen met de in de uitspraak op één lijn te stellen situatie voor en kon appellante, als niet ter zake deskundig, niet volstaan met slechts haar eigen mening omtrent de monumentale waarde naar voren te brengen.
200603372/1, dient een college te beslissen over het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onderzoeken daarvan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat alternatieven bestaan, waarmee een dergelijk resultaat kan worden bereikt.