Uitspraak
200900801/1/R3, overwogen dat indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele geurnorm wordt overschreden, dit niet met zich brengt dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Evenmin kan indien de voor veehouderijen toepasselijke individuele norm niet wordt overschreden, er zonder meer van worden uitgegaan dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Daargelaten de vraag of in dit geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit de wettelijke norm zoals opgenomen in artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij of de norm zoals opgenomen in de gemeentelijke geurverordening van toepassing was, is de Afdeling gelet op het voorgaande van oordeel dat inzichtelijk had moeten worden gemaakt in hoeverre ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Ook indien in een verordening bepaalde geurnormen zijn vastgelegd, moet inzichtelijk zijn dat de toegestane milieubelasting in overeenstemming is met de uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbare inrichting van het gebied. Uit de stukken blijkt niet dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is onderzocht of berekend. Nu blijkens de plantoelichting in de omgeving van het plangebied ook andere veehouderijen zijn gevestigd, had naar het oordeel van de Afdeling de cumulatie van stankhinder vanwege alle omliggende veehouderijen bij de beoordeling dienen te worden betrokken. De enkele stelling van de raad en het college dat de andere bedrijven geen invloed hebben op de stankhinder binnen het plandeel met de bestemming "Wonen-uit te werken", wat betreft de deelgebieden Meander en Stromen, is niet inzichtelijk gemaakt met onderzoek of berekeningen. Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.