Uitspraak
200708648/1, onder verwijzing naar de uitspraak van 11 september 2002 in zaak nr.
200200649/1) volgt uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dat op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het besluit plaatsvindt. Die heroverweging is niet gebonden aan de argumenten die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Genoemde bepaling belette het college niet tevens de vraag of een bedrijfswoning noodzakelijk is voor het bedrijf bij de heroverweging van het besluit van 22 juni 2004 te betrekken en alsnog het ontbreken van de noodzakelijkheid aan de weigering ten grondslag te leggen. Niet is gebleken dat het college zijn bevoegdheid om deze grond te gebruiken heeft prijsgegeven. Van verslechtering van de positie van [appellant sub 2] is geen sprake, aangezien het besluit op bezwaar van 19 november 2007 de handhaving van de weigering van de gevraagde vrijstelling en bouwvergunning behelst.
200708648/1) is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang, of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de bedrijfsprocessen zoveel tijd en aandacht van hem vragen, dat een redelijk belang bestaat om op het perceel te wonen.