ECLI:NL:RBNHO:2026:3816
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering omgevingsvergunning voor twee tijdelijke bedrijfswoningen ondanks motiveringsgebreken
Eiser vroeg op 15 mei 2024 een omgevingsvergunning aan voor het realiseren van twee tijdelijke bedrijfswoningen op een perceel met bedrijfsbestemming. Het college weigerde de vergunning op 4 september 2024 omdat het plan in strijd was met het bestemmingsplan en de provinciale omgevingsverordening, die geen kleinschalige woningbouwontwikkeling toestaat in het betreffende gebied. Eiser maakte bezwaar, dat deels werd gehonoreerd met een aanvullende motivering, maar het besluit bleef in stand.
De rechtbank beoordeelde het beroep en constateerde dat het college ten onrechte uitging van een inmiddels vervallen artikel 6.18 van de omgevingsverordening, wat een motiveringsgebrek oplevert. Desondanks was de subsidiaire grond voor weigering, het ontbreken van noodzaak voor de bedrijfswoningen, wel juist gemotiveerd. De rechtbank volgde het college in de uitleg dat de woningen niet noodzakelijk zijn voor toezicht of bedrijfsvoering.
Eiser stelde dat het college het gelijkheidsbeginsel had geschonden door vergelijkbare gevallen anders te behandelen. De rechtbank vond dat het college aanvankelijk onvoldoende had gemotiveerd waarom de situaties niet vergelijkbaar waren, maar dat het college op zitting voldoende aanvullende motivering gaf, waardoor het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit vanwege de motiveringsgebreken, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het college de gebreken op zitting had hersteld. Het griffierecht werd aan eiser vergoed, proceskosten niet. De weigering van de omgevingsvergunning blijft daarmee geldig.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit wegens motiveringsgebreken maar laat de rechtsgevolgen in stand, waardoor de weigering van de omgevingsvergunning blijft gelden.