ECLI:NL:RVS:2010:BK9641
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid inkomenstoets bij machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De minister van Buitenlandse Zaken wees een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage vernietigde dit besluit en beval een hernieuwde beoordeling. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de uitleg van de minister over de toepassing van artikel 3.74, aanhef en onder d, van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarbij het normbedrag maandelijks moet zijn verworven, redelijk is. Er is geen sprake van ongeoorloofd onderscheid tussen zelfstandigen en personen in loondienst, omdat hun inkomensbronnen verschillen.
Verder verwierp de Raad het betoog dat bijzondere omstandigheden volgens artikel 4:84 Awb Pro toepassing behoefden, omdat deze omstandigheden reeds in het beleid waren verwerkt. Ook werden andere bezwaren, zoals strijd met het EVRM artikel 8 en Pro onvoldoende rekening houden met alle inkomensbestanddelen, niet gegrond verklaard. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.