ECLI:NL:RVS:2010:BL1445
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste implementatie richtlijn langdurig ingezetenen in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het besluit tot afwijzing van een aanvraag verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ten onrechte onrechtmatig achtte. De vreemdeling had meerdere verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd gehad en een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, die werd afgewezen.
De rechtbank oordeelde dat de richtlijn 2003/109/EG deels onjuist was geïmplementeerd in artikel 21 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met name vanwege het ontbreken van het woord 'uitsluitend' en het gebruik van 'verblijfsrecht' in plaats van 'verblijfsvergunning'. De rechtbank vond dat de richtlijn rechtstreeks toepasbaar was en dat de staatssecretaris het besluit onrechtmatig had genomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat de richtlijn correct is geïmplementeerd binnen de nationale wetgeving, waarbij de term 'formeel beperkt verblijfsrecht' in artikel 21 Vw Pro 2000 passend is en dat het verblijf in afwachting van een beslissing op een aanvraag niet meetelt voor de vijfjarige periode van ononderbroken rechtmatig verblijf. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Afdeling benadrukt dat de richtlijn niet letterlijk hoeft te worden overgenomen in nationale wetgeving zolang de volledige toepassing ervan op duidelijke en nauwkeurige wijze is gewaarborgd. De staatssecretaris heeft het hoger beroep gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.