ECLI:NL:RVS:2010:BL3920

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201000405/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A. Offers
  • E.K. van Leening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie had op 16 maart 2009 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken. De rechtbank 's Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de uitspraak. De staatssecretaris stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.

De voorzitter oordeelde dat het intrekkingsbesluit geen besluit op een aanvraag is en dat de enkele vernietiging door de rechtbank niet automatisch een verplichting tot het nemen van een nieuw besluit oplegt. Omdat de rechtbank geen termijn voor het nemen van dat nieuwe besluit had gesteld en er geen dwangsom kan worden verbeurd, ontbrak het aan een spoedeisend belang zoals bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €437,00, toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter P.A. Offers en ambtenaar van Staat E.K. van Leening op 4 februari 2010.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestaat voor het nemen van een nieuw besluit.

Uitspraak

201000405/2/V3.
Datum uitspraak: 4 februari 2010
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 18 december 2009 in zaak nr. 09/13109 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) de aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken.
Bij uitspraak van 18 december 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 januari 2010, hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de staatssecretaris de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
2. Overwegingen
2.1. Het verzoek is er op gericht dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen en geen dwangsom wordt verbeurd.
2.2. Het besluit van 16 maart 2009, waarbij de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingetrokken, is geen op een aanvraag van de vreemdeling genomen besluit. De enkele vernietiging van dat besluit door de rechtbank brengt niet met zich dat op de staatssecretaris de verplichting rust om een nieuw besluit te nemen. Dat de uitspraak van de rechtbank niettemin strekt tot het nemen van een nieuw besluit, levert geen spoedeisend belang op, als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, nu de rechtbank daartoe geen termijn heeft gesteld en bij gebreke van het voldoen aan deze opdracht geen dwangsom kan worden verbeurd.
2.3. Nu enig ander spoedeisend belang, anders dan het verbeuren van een dwangsom, door de staatssecretaris niet is gesteld, dient het verzoek als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.
2.4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, ambtenaar van Staat.
w.g. Offers
voorzitter
w.g. Van Leening
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2010
513.
Verzonden: 4 februari 2010
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser